Geschiedenis
Het gebied werd in oude tijden geregeerd
door Illyriërs en Thraciërs
en kwam later onder Romeins, Byzantijns
en Ottomaans bewind. Albanië werd
in 1912 onafhankelijk.
In
de eerste jaren na het uitroepen van
de onafhankelijkheid werd Albanië
door verschillende buurlanden bestookt
met milities en militaire acties. In
januari/februari 1916 werd Albanië
bezet door Oostenrijk-Hongarije in het
noorden, en door de Bulgaren in het
oosten van het land. Montenegro begon
met een beleg van de stad Shkodër
in noord-Albanië.
Aan
het einde van de Eerste Wereldoorlog
trokken de verschillende partijen zich
terug. Als laatste verlieten de Italianen
in 1922 het land. In 1925 werd Albanië
een republiek. Van 1928 tot 1939 was
het een koninkrijk. Later (in 1944)
werd het een satellietstaat van de Sovjet-Unie,
waarmee het in 1961 brak vanwege de
destalinisatiepolitiek van Nikita Chroesjtsjov.
In
1968 verliet Albanië het Warschaupact
en werd het een bondgenoot van het communistische
China, tot grote woede van de Sovjet-Unie.
De verkiezingen in 1992 maakten een
eind aan de macht van de Communistische
Partij en er werd een democratische
overheid gevormd.
In
1997 brak in het land anarchie uit,
na de ineenstorting van piramidefondsen
die veel beleggers tot een compleet
bankroet had gedreven.
Geografie
Satellietfoto van Griekenland, Bulgarije
en AlbaniëAlbanië is ruw en
bergachtig, behalve de vruchtbare Adriatische
kust. Korabit (2763 m), op de grens
met Macedonië, is het hoogste punt
van het land.
De
belangrijkste rivieren van Albanië
zijn de Drin, Mat, Shkumbin, Vijose
en Seman, maar zij zijn meestal onbevaarbaar.
Meer dan een derde van het land bestaat
uit bossen en moerassen, meer dan een
derde is weiland en slechts ongeveer
een vijfde is gecultiveerd.
grootste
rivieren: Drin, Shkumbi
grootste meren: Meer van Shkodër,
Meer van Ohrid en Prespameer, alle ten
dele buiten Albanië.
hoogste punt: Korab 2753 m.
Tirana (427.000 inw.) is de hoofdstad
en grootste stad van het land. Andere
steden zijn:
Durrës
(85.400 inwoners - 1990)
Elbasan (83.300)
Shkodër (81.900)
Vlorë (73.800)
Korçë (65.400)
Kuçovë (35.000)
Gjirokastra
Korça
Saranda
Berat
Pogradec
Kukes
Butrinj
Klimaat
Het kustklimaat is typisch mediterraan,
met hete, droge zomers en milde, natte
winters. Het bergachtige binnenland,
vooral in het noorden, heeft strenge
winters en milde zomers.
Bevolking
Bevolkingsontwikkeling van AlbaniëHet
ruwe en ontoegankelijke terrein van
het land heeft traditioneel Albanië
van zijn buren geïsoleerd, zo helpend
om zijn etnische homogeniteit te bewaren.
Ongeveer 90% van de bevolking is etnisch
Albanees, 3% is Grieks en er zijn verspreide
Vlach-, Bulgaarse, Servische en zigeunerminderheden.
Bijna 70% van de inwoners van Albanië
is moslim, ongeveer 20% is Albanees-orthodox
en 10% is rooms-katholiek. In 1967 werd
Albanië officieel tot atheïstistische
staat uitgeroepen, en tot 1990 waren
alle moskeeën en kerken gesloten.
Albanië
kan worden beschouwd als een typisch
Balkanland, maar het onderscheidt zich
in een aantal opzichten van zijn naaste
buren. De bevolking is tamelijk homogeen,
de islam is er de dominerende godsdienst
en de Albanese taal neemt binnen de
Indo-Europese taalfamilie een aparte
positie in.
De
bevolking is de snelst groeiende van
Europa en concentreert zich in toenemende
mate in de steden.
bevolkingsgroepen:
Albanezen (Tosken en Gegen) (95%), Grieken
(3%), Macedoniërs, Serviërs,
Bulgaren, Sinti, Vlachen
bevolkingsgroei: 0,8% (gemiddelde 1980-2001)
analfabetisme: mannen 8%, vrouwen 22%
(2001) (officiële data; vermoed
wordt dat het werkelijke aantal hoger
ligt)
Een groot deel van de etnische Albanezen
woont buiten Albanië. In de eerste
plaats in Kosovo (Albanees: Kosova),
officieel een deel van Servië,
waarmee er lang een grensgeschil is
geweest. Na afloop van de Kosovo-oorlog
(juni 1999) werd Kosovo door de VN onder
internationaal bestuur geplaatst. Dit
heeft geresulteerd in autonomie voor
Kosovo en de facto onafhankelijkheid
van Servië. 88% van de inwoners
van Kosovo zijn Albanees (2000).
Tevens
is 25% van de bevolking van Macedonië
etnisch Albanees (2002). Daarnaast een
aanzienlijk aantal in Griekenland (Epirus)
en kleine aantallen in Montenegro en
Servië (afgezien van Kosovo). Sinds
de Turkse verovering wonen de Arbëresh
in Zuid-Italië, eveneens van Albanese
afkomst. De Albanese diaspora in West-Europa
en in de Nieuwe Wereld is omvangrijk.
Albanië
betekent: "Het land van de witte
bergen". De Albanezen noemen hun
land in hun eigen taal: "Shqiponja".
Dat betekent adelaar. De adelaar staat
ook op de vlag. De Albanese vlag is
rood met een zwarte adelaar.
Taal
Albanees vormt een aparte tak van de
Indo-Europese talen. De talen in Albanië
zijn: Albanees (officiële taal),
Grieks en Macedonisch. De rivier Shkumbin,
die het land ongeveeer in tweeën
verdeelt, scheidt sprekers van het noordelijke
dialect (Gegisch) van die van het zuidelijke
dialect (Toskisch het officiële
dialect).
Godsdienst
De godsdiensten in Albanië zijn
overwegend Soennitische Islam (70%),
Albanees-Orthodox 20% en rooms-katholiek
10%.
Economie
Abanië heeft van alle Europese
landen de laagste levensstandaard. Ongeveer
60% van de arbeidskrachten houdt zich
bezig met de landbouw; de meerderheid
van de rest van de bevolking is betrokken
bij één of andere vorm
van industrie.
De
economie van het land haperde vooral
in de vroege jaren '90 van de 20e eeuw
toen Albanië snel van een strak
gecontroleerd systeem tot een markteconomie
probeerde over te gaan. Tijdens deze
periode was het werkloosheidscijfer
ongeveer 40%, maar tegen het eind van
het decennium was dit weer gedaald tot
20%.
De
landbouw werd vroeger gesocialiseerd
in de vorm van collective en staatslandbouwbedrijven,
maar in 1992 was alle landbouwgrond
geprivatiseerd. Tarwe en graan, katoen,
tabak, aardappels en suikerbieten worden
gekweekt en vee wordt gefokt. Albanië
is rijk aan delfstoffen, in het bijzonder
olie, bruinkool, koper, chroom, kalksteen,
zout, bauxiet en aardgas. De mijnbouw,
landbouwverwerking en de vervaardiging
van textiel, kleding, timmerhout en
cement zijn de belangrijkste industrieën.
Het land heeft verscheidene hydro-elektrische
installaties. Door de economische neergang
tijdens de jaren '90 blijft Albanië
hoofdzakelijk een ontwikkelingsland.
De
buitenlandse handel geschiedt voornamelijk
via de zee. De uitvoer van Albanië
bestaat voornamelijk uit de natuurlijke
rijkdommen en levensmiddelen en de invoer
vooral uit machines, andere industrieproducten
en consumptiegoederen. De belangrijkste
handelspartners zijn Italië, Macedonië,
Duitsland en Griekenland. In de vroege
jaren '90 werd Albanië lid van
het Internationaal Monetair Fonds en
van de Wereldbank.
munteenheid:
lek (ALL) = 100 qindarka; koers: 1 ALL=0,008
€ (2005)
Bruto Nationaal Product: 4.3 miljard
US$ ($1340 per inwoner; 2001)
Inflatie: 5,4% (2002)
Werkloosheid: 13,0% (2002)
De export is: 330 miljoen US$ (2002)
Exportproducten:
textiel (29%), schoenen (9%), metaal
en metaalproducten (5%), leer en leerproducten
(4%)
Exportpartners: Italië (72%), Griekenland
(13%), Duitsland (5%)
De import: 1.48 miljard US$
Importproducten:
machines (16%), minerale stoffen (13%),
textiel en textielproducten (11%), metaal
en metaalproducten (9%), voedings- en
genotsmiddelen (9%)
Importpartners: Italië (35%), Griekenland
(22%), Turkije (6%), Duitsland (6%)
Ontwikkelingshulp: ontvangsten 319 miljoen
US$ (2001?)
Politiek
Albanië is een republiek met een
parlement dat uit één
Kamer bestaat, waarvan de afgevaardigden
via algemene verkiezingen voor de termijn
van vier jaar worden gekozen. Het parlement
kiest de president voor een termijn
van vijf jaar, en de president benoemt
een premier. De uitvoerende macht wordt
uitgeoefend door een Raad van Ministers,
die door de premier wordt benoemd en
door de president wordt goedgekeurd.
president:
Alfred Moisiu, sinds 24 juli 2002, termijn:
5 jaar 1
regeringsleider: Sali Berisha, sinds
/ 2006
minister van buitenlandse zaken: Luan
Hajdaraga
parlement: één kamer:
Kuvendi (140 zetels, termijn: 4 jaar)
2
zetelverdelng:
PSS (socialistisch) 73 zetels
BF (combinatie van oppositiepartijen)
46
overige partijen 19
onafhankelijken 2
Staatshoofden van Albanië sinds
1945
Koning
Zog 1925-1939 (tot 1928 president)
Ömer Nishani 1944-1953 (communist)
Haxhi Lleshi 1953-1982 (communist)
Ramiz Alia 1982-1992 (communist, socialist)
Sali Berisha 1992-1997 (democraat)
Skënder Gjinushi 1997 (interim)
Rexhep Meidani 1997-2002 (socialist)
Alfred Moisiu sinds 2002 (partijloos)
[bewerk]
Verkeer en vervoer
De luchthaven van Tirana is Tirana Rinas
Mother Teresa en de in 2006 geopende
luchthaven Kukes airport. De luchtvaartmaatschappij
is Ada Air.
Per
trein kan men reizen via de Albanese
spoorwegen over circa 447 km spoor.
Het
wegennet is circa 18.000 km waarvan
5.400 km geasfalteerd.
Er
is een veerboot vanuit Korfu Griekenland
of Brindisi Italië naar Albanië.
Tirana
Tirana
is de hoofdstad van Albanië. De
stad heeft 585.756 inwoners en is gelegen
aan de rivier de Ishm in het vlakste
deel van het land, op 40 km van de havenstad
Durrës. Tirana werd in 1920 de
hoofdstad van het land. In dat jaar
was het nog maar een klein plaatsje,
dat bij wijze van compromis tussen het
noorden en het zuiden van Albanië
de hoofdstad mocht worden. In de loop
van de 20ste eeuw heeft Tirana ooit
veel grotere plaatsen als Shkodër,
Durrës en Korçë overvleugeld
en is de stad in vrijwel alle opzichten
de belangrijkste van het land geworden.
Centraal
in de stad ligt het Skanderbegplein,
dat kolossale afmetingen heeft. Het
is genoemd naar Albaniës nationale
held Skanderbeg (George Kastrioti).
Aan het plein staan onder meer het parlementsgebouw
en verschillende regeringsgebouwen.
|