de
bodem is namelijk van een geheel
andere samenstelling dan de rest
van Denemarken. Verspreid over
het hele land liggen vele kleine
en grote zwerfstenen, overblijfselen
van verschillende ijstijden. De
langste rivier is de Gadenå,
160 km lang. Om het eiland Møn
en Zuidoost-Sjælland komen
steile krijtrotsen voor die een
hoogte van ± 140 meter
bereiken.
Klimaat
Denemarken heeft een gematigd
zeeklimaat, sterk beïnvloed
door de temperatuur van het Noordzeewater.
Het weertype kan per dag verschillen
maar door de geringe oppervlakte
van het land en doordat het vrijwel
aan alle zijden door zee is omgeven,
zijn de klimaatverschillen zeer
gering. In de koudste maand, februari,
schommelt de gemiddelde temperatuur
rond de 0°C. In strenge winters
vriest een gedeelte van het Kattegat
voor korte tijd dicht. In de Sont
en in de Belten komt vaker ijs
voor; in de Sont gemiddeld om
de twee jaar. De zomers kenmerken
zich door veel zonneschijn. In
juli, de warmste maand, schommelt
de temperatuur gemiddeld tussen
de 15 en 16,5°C. De warmste
streken zijn Bornholm, Falster,
Lolland en Viborg. De koudste
streken zijn Himmerland, Midtfyn
en Nordvestjyland. Gemiddeld valt
er op het Deense land 600 mm neerslag
per jaar. Tussen de Noordzeekust
en het heuvelland van Midtjyland
valt gemiddeld 700 mm. Minder
dan 600 mm valt op Bornholm, Sjælland
en aan de kust van het Kattegat.
Het aantal regendagen ligt tussen
de 120 en 200 dagen per jaar.
De meeste regen valt van augustus
tot en met oktober. De droogste
periode valt tussen eind april
en begin juni. Als de wind 's
winters uit het oosten waait,
kan het zeer koud worden, tot
-31°C. 's Zomers kan de temperatuur
door diezelfde oostenwind oplopen
tot meer dan 35°C. De wind
waait echter vaak uit het westen.
Door de vele depressies stormt
het aan de westkust gemiddeld
meer dan 50 keer per jaar.
Planten
en dieren
In een ver verleden was Denemarken
een dicht bebost land. Op dit
moment bestaat ongeveer 11% van
het landoppervlak uit bos.
Langs de kust van de Noordzee,
het Skagerrak en aan de zuidkant
van het Kattegat vinden we bossen
met (aangeplante) dennen en sparren.
Daartussen groeit o.a. helmgras
dat duinen beschermt. Door de
ontbossing zijn bijna alle eikenbossen
verdwenen. Berkenbossen komen
nog wél voor en de groene
beuk is de nationale boom van
Denemarken. In Jutland bevindt
zich het grootste, voornamelijk
uit naaldbomen bestaande Deense
woud. Veel voorkomende bomen zijn
olmen, hazelaars, esdoorns, grove
dennen, berken, espen, lindes
en kastanjes. In Noord-Jutland
komen uitgestrekte heidevelden
voor. In Denemarken komen ongeveer
1500 plantensoorten voor, ongeveer
vergelijkbaar met Nederland.
In het noorden en noordwesten
van Jutland ontstonden als gevolg
van de slechte afwatering uitgestrekte
hoogveenmoerassen.
Aan de kust komt de bijzondere
roze-witte strandroos voor. De
nationale bloem is de margriet.
De wildstand in Denemarken is
in de 20e eeuw sterk teruggelopen.
Eland, oeros en zelfs wilde zwijnen
komen niet meer voor. Voornamelijk
in wildparken leven reeën,
edelherten en de ingevoerde damherten
en sikaherten. In de heide- en
duingebieden leven vele hazen,
konijnen, patrijzen en fazanten.
Kleine rovers als de marter, das,
otter en vos komen nog steeds
voor maar hun aantal verminderd
elk jaar. Met name de otter wordt
sterk bedreigd. Van de zeeroofdieren
komt naast de gewone zeehond de
grijze zeehond voor. In de kustwateren
zijn regelmatig bruinvissen en
tuimelaars te zien. Van de vleermuizen
zijn er alleen gladneuzen.
In de rivieren en beken kan gevist
worden naar o.a. forel, sneep,
baars en snoek. Zeevissers vangen
veel kabeljauw, geep, zeeforel,
koolvis, griet en haring.
Er komen ongeveer 350 soorten
vogels voor in Denemarken. De
helft daarvan broedt in Denemarken
zelf; de rest zoekt warmere streken
op. Veel voorkomende vogels zijn,
behalve de vele soorten kustvogels
en steltlopers, de raaf, zeearend,
patrijs, fazant en eend. Het aantal
ooievaars is in de loop der jaren
sterk afgenomen. De nationale
vogel is de zwaan.
Er zijn 68 soorten inheemse vlinders
te zien in Denemarken. En verder
komen er 11 soorten kikkers en
padden voor. Door het verdrogen
van veel natte gebieden is de
helft van de broedplaatsen van
deze dieren verdwenen.
Verkeer
Verkeers- en brugverbindingen
spelen een belangrijke rol in
het Deense verkeer. Tussen 1966
en 1986 werden 20 grote bruggen
gebouwd. De grootste brug is die
over de Storstrøm tussen
Falster en Seeland (3211 m), en
is daarmee een van de langste
van Europa. In 1997 werd een 20
km lange brug-tunnelverbinding
geopend voor het trein- en autoverkeer
tussen de eilanden Funen en Seeland.
Er zijn veerbootverbindingen met
Zweden, Noorwegen, Duitsland en
Groot- Brittannië.
De handelsvloot is een van de
modernste ter wereld. De belangrijkste
havens zijn Kopenhagen, Århus,
Aalborg, Esbjerg en Frederikshavn.
De spoorwegen zijn in hoofdzaak
een staatsaangelegenheid (2471
km), hoewel met name voor het
vrachtvervoer ook particuliere
lijnen (494 km) zijn. Het wegverkeer
beschikt over een zeer dicht wegennet
van ruim 70.000 km. Een klein
gedeelte hiervan (ca. 7%) bestaat
uit snelwegen.
Het internationale luchtverkeer
maakt gebruik van de luchthaven
Kastrup, bij Kopenhagen. Daarnaast
zijn er nog twaalf commerciële
vliegvelden. Det Danske Luftfarsselskab
is een van de drie sinds 1 oktober
1950 in SAS (Skandinavian Airlines
System) samenwerkende Scandinavische
luchtvaartmaatschappijen.
Geschiedenis
Er
zijn aanwijzingen dat de eerste
mensen al 12.000 jaar geleden
rondgezworven hebben op Deens
grondgebied. Ze leefde voornamelijk
van de jacht op rendieren. Nadat
het klimaat wat warmer werd trokken
de rendieren verder naar het noorden.
De jagers op hun beurt trokken
richting kust en leefden van de
visvangst. Rond 4000 voor Chr.
verbouwden de Denen hun eigen
voedsel en hielden wat vee. Van
rond 2000 voor Chr. dateren de
dolmens, grafkamers bestaande
uit grote keien die met een platte
steen werden afgedekt. De gletsjers
van de ijstijd hadden die grote
zwerfkeien achtergelaten. Denemarken
is bezaaid met grafheuvels, grote
stenen, ganggraven en hunebedden.
De graven waren soms meer dan
100 meter lang.
Brons werd rond 1800 voor Chr.
geïntroduceerd in Denemarken
en het volk toonde zich al snel
meesters in het maken van gebruiks-
en kunstvoorwerpen. Om aan het
kostbare brons te komen waren
er rond die tijd al contacten
met volkeren in het zuiden van
Europa. Belangrijke archeologische
vondsten uit deze vroegste tijden
zijn de schaal van Gundestrup,
de zonnnewagen van Trundholm en
het veenlijk de Man van Tollund.
Rond
het begin van onze jaartelling
wordt voor het eerst in annalen
en verslagen van de Romeinen gesproken
over de Noord-Germaanse stammen.
Deze Noord- Germaanse stammen
trokken langzaam zuidwaarts richting
Midden-Europa. Deze kleine groepjes
werden langzamerhand opgenomen
in grotere stamverbanden waardoor
er vorstendommen en koninkrijkjes
ontstonden. Van de eerste vijf
à zes eeuwen na Chr. is
weinig bekend. Pas eind 8e eeuw
kwamen de Denen de Europese geschiedenis
binnengevaren. Op 8 juni 793 werd
het kloostereiland Lindisfarne
in Groot-Brittannië door
een vermoedelijk Deense vloot
aangevallen en leeggeroofd. Binnen
enkele tientallen jaren had heel
West- Europa te lijden onder de
plundertochten van de Noormannen
of Vikingen, zoals ze genoemd
werden. Onduidelijk is nog steeds
waar ze precies vandaan kwamen,
Noorwegen, Zweden of Denemarken.
Toch zaaiden de Noormannen niet
alleen dood en verderf in Europa.
Ze stichtten ook steden, verhuurden
zich als soldaten, dreven handel
en maakten ontdekkingsreizen.
Een van de redenen voor deze expansiedrift
was het feit dat het Scandinavië
van toen nog een onontgonnen gebied
was met weinig mogelijkheden voor
landbouw. Als gevolg hiervan dreigde
overbevolking en veel Noormannen
vestigden zich in b.v. Normandië
in Frankrijk of op de Britse eilanden.
Met name in Northumbria in Noordoost-
Engeland zaten veel Denen en zij
stichtten daar Danelagh, een vrijwel
zelfstandig Deens rijk. Sven Gaffelbaard
stuurde ± 1100 schepen
de Noordzee op om Danelagh en
uiteindelijk heel Engeland te
veroveren. Na wat schermutselingen
lukte dat en in 1013 liet Sven
zich uitroepen tot koning van
Engeland. Noorwegen had op dat
moment geen leider en de zoon
van Sven, Knud, liet zich ook
daar tot koning kronen, resulterend
in een groot noordelijk rijk onder
leiding van de Denen. Het rijk
viel echter al snel uit elkaar,
het was door zijn omvang niet
bestuurbaar. De aangestelde onderkoningen
raakten slaags met elkaar. Uiteindelijk
leidde dat tot een Engelse koning
in Engeland en een Noorse koning
in Denemarken. Geprobeerd werd
nog om Engeland weer te heroveren
maar na de verloren slag bij Hastings
in 1066 kwam het vikingtijdperk
tot een einde.
Het
Denemarken van die tijd was waarschijnlijk
een praktische volledig agrarische
samenleving die zich niet alleen
uitstrekte tot het huidige Deense
grondgebied. Ook delen van Sleeswijk
in Noord-Duitsland en Zuid-Zweden
hoorden erbij. De politieke macht
lag in Jutland en de economische
macht rond een handelspost in
Sleeswijk. De bevolking bestond
uit clans onder leiding van een
clanhoofd. Er was nog geen centraal
gezag. Besluiten die clanoverstijgend
waren werden genomen tijdens een
"Ting", een bijeenkomst
van "vrije mannen".
Eenmaal per jaar werd een "Landsting"
georganiseerd die tevens als rechtbank
fungeerde. Elke regio had een
Landsting en de macht van zo'n
Landsting reikte dan ook niet
verder dan de eigen regio.
De Denen werden nu bedreigd door
Duitse koninkrijkjes en door de
Wenden, een slavisch volk dat
aan de Oostzee woonde. Een binnnenlands
probleem was het enorme vrouwenoverschot
door de vele gesneuvelde of geëmigreerde
Noormannnen. Polygamie kwam veel
voor en veroorzaakte gecompliceerde
erfopvolgingskwesties. De macht
van de koning werd hersteld onder
Valdemar de Grote. Na de dood
van Valdemar nam de bisschop van
Roskilde, Absalon, de macht in
handen. Hij verplaatste het politieke
centrum van Jutland naar Sjælland
omdat de Oostzee als handelsroute
belangrijker werd dan de Noordzeeroute.
Ook werd onder Absalon een vesting
langs die belangrijke route gebouwd,
Havn. Dit dorpje zou later uitgroeien
tot de hoofdstad van Denemarken,
Kopenhagen. Vanaf die tijd werd
de geschiedenis van Denemarken
gedomineerd door de strijd om
de macht rond de Oostzee. Valdemar
II veroverde grote stukken land
aan de Kielersee met toestemming
van de Duitse keizer. Ook Estland
probeerde hij te veroveren maar
dit mislukte. Hij werd zelfs ontvoerd
en drie jaar vastgehouden. Valdemar
II had veel (buitenechtelijke)
zonen wat leidde tot een aantal
erfkwesties waarbij zelfs doden
vielen. Sleeswijk was rond die
tijd nog steeds de machtigste
regio en de graaf van Sleeswijk
de machtigste man na de koning.
In 1282 werd het "Håndfestning"
ondertekend waarbij men overeenkwam
één nationaal parlement
in te stellen. Vanwege een lege
schatkist werden grote delen van
Denemarken als onderpand afgestaan.
Door onderlinge twisten kwam het
van 1332 tot en met 1340 tot een
koningloos tijdperk.
Valdemar
IV werd door edelen naar voren
geschoven en op de troon gezet.
Deze Valdemar bleek echter geenszins
een zwakke persoon te zijn. Zo
veroverde hij Gotland dat bij
het Zweedse koninkrijk hoorde
en een belangrijke Hanzestad was.
De Hanze nam dit niet en stuurde
een vloot naar Denemarken, die
echter in de buurt van Kopenhagen
verslagen werd. Gedurende deze
jaren werd Denemarken getroffen
door een pestepidemie die eenderde
van de Deense bevolking het leven
kostte. Valdemar werd een belangrijke
persoon uit de Deense geschiedenis.
Hij gaf de eerste aanzet tot de
vereniging van Noorwegen, Zweden
en Denemarken. Noorwegen en Zweden
waren op dat moment al verenigd
onder koning Magnus. Zijn zoon
Haakon trouwde met Margrethe,
dochter van Valdemar. Na de dood
van Valdemar maakte Margrethe
aanspraak op de Deense troon.
Omdat vrouwelijke troonopvolgers
niet geaccepteerd werden werd
haar vijfjarig zoontje Oluf vorst,
onder regentschap van Margrethe.
Oluf stierf op 17-jarige leeftijd
en men accepteerde Margrethe als
vorst over Noorwegen en Denemarken.
In 1389 werd de Zweedse koning
door haar verslagen in de slag
bij Falkøbing. Het duurde
tot 1397 voordat de vereniging
van de drie koninkrijken een feit
zou zijn (Unie van Kalmar). Margrethe
werd opgevolgd door haar Slavische
achterneef Erik von Pommeren.
De adel zag dit op den duur niet
zo zitten en men ging op zoek
naar een opvolger uit de Duitse
tak van de familie. Gekozen werd
voor Christian I wat weer leidde
tot een verbond met het machtige
Holstein. Dit leverde een merkwaardige
situatie op. Als graaf van Sleeswijk
was hij trouw schuldig aan de
koning van Denemarken, wat hij
zélf was, en als graaf
van Holstein moest hij de Duitse
keizer steunen. Zweden trad na
zijn dood weer toe tot de Unie.
Opvolger Hans leed in 1500 een
zware nederlaag tegen de Friezen.
De Zweden verlieten o.a. door
deze nederlaag in 1502 de Unie
weer. Hij werd opgevolgd door
zijn zoon Christian II, de onderkoning
van Noorwegen. Hij leidde in 1520
een strafexpeditie tegen Zweden
en veroverde in eerste instantie
Stockholm. Zweedse boeren onder
leiding van Gustav Vasa namen
wraak en uiteindelijk werd Christian
verbannen naar de Zuidelijke Nederlanden.
Het was in deze tijd dat de denkbeelden
van Luther doordrongen tot Denemarken.
Het sprak de Denen zeer aan en
het was Christian III die in 1536
de evangelisch- lutherse leer
als staatsgodsdienst installeerde.
Zijn opvolger Frederik II kwam
in conflict met de Zweedse vorst.
Dit zou uitlopen tot de zevenjarige
oorlog (1563-1570) die echter
geen oplossing bracht voor het
conflict. De Zweden waren op het
land te sterk, de Denen te sterk
op zee. Doordat Spanje, Duitsland,
Engeland en Frankrijk voortdurend
in oorlogen verwikkeld waren,
kon Denemarken zich ontwikkelen
als een wereldmacht op zee. Onder
Christan IV bleek de zwakte van
Denemarken op het land. Veel veldtochten
gingen verloren en toen hij in
1648 stierf, liet hij een ontredderd
en geplunderd Denemarken achter
voor zijn opvolger, Frederik III.
Ook Frederik leed weer een gevoelige
nederlaag tegen de Zweden en Denemarken
verloor bij de Vrede van Roskilde
in 1658 bijna eenderde van zijn
grondgebied en de alleenheerschappij
over de lucratieve Øresund
(tolgelden). Karl X van Zweden
probeerde meteen heel Denemarken
onder de voet te lopen, maar de
Denen werden nu geholpen door
de Hollanders, die er veel belang
bij hadden dat de Øresund
niet door één mogendheid
beheerst zou worden. Het lukte
de Denen en de Hollanders om de
Zweden weg te jagen en Frederik
zag zich genoodzaakt de tolgelden
fors te verlagen en de Zweden
vrije doortocht te verlenen. Vreemd
genoeg kreeg de adel de schuld
van al deze vernederingen en Frederik
zag zijn kans schoon om zichzelf
uit te roepen als alleenheerser
over Denemarken en Noorwegen.
Eind 17e eeuw, begin 18e eeuw
probeerden Christan V en Frederik
IV de heerschappij over de Øresund
weer te heroveren. Grote nederlagen
volgden en met het einde van de
Grote Noordse Oorlog in 1721 werd
duidelijk dat Denemarken nooit
meer over de Øresund zou
heersen.
De
18e eeuw was verder een eeuw met
veel zwakke koningen en een toenemende
kloof tussen de adel en de burgerij,
die steeds machtiger werd. De
rest van Europa had vanaf 1789
te maken met de gevolgen van de
Franse Revolutie. In Denemarken
bleef het wat dat betreft in eerste
instantie rustig en Denemarken
kon zich weer profileren als belangrijke
koopvaartnatie. Door de gevaarlijke
situatie op zee moesten de Denen
toch allianties aangaan met o.a.
Rusland en wat andere landen,
en werden zo toch betrokken bij
de gevechtshandelingen. Denemarken
werd op eigen grondgebied aangevallen
door een Engelse vloot. De Russen
liepen hierna over naar de Engelse
kant en ook de Zweden konden geen
hulp bieden. Hierdoor werden de
Denen gedwongen te gaan samenwerken
met de Franse keizer Napoleon.
De Engelsen waren hier uiteraard
fel op tegen en stuurden weer
een vloot naar Denemarken en deze
keer werd Kopenhagen grotendeels
verwoest. Bijna 2000 soldaten
en burgers vonden de dood en ook
de Deens- Noorse vloot werd bijna
gedecimeerd. De Denen waren nu
wel gedwongen om een verbond met
Napoleon aan te gaan maar streden
een uitzichtloze strijd en verloren
uiteindelijk al hun schepen! In
Kiel werd in 1814 een vredesverdrag
gesloten, waarbij Denemarken,
als straf voor de steun aan Frankrijk,
de unie met Noorwegen moest ontbinden.
De Faeröer, IJsland en Groenland
werden aan Denemarken toegewezen.
Christian VIII erfde in 1839 een
volledig failliet Denemarken.
In
het Europese revolutiejaar 1848
werd onder Frederik VII de absolute
monarchie afgeschaft. In 1849
kreeg Denemarken een moderne grondwet,
een nationaal parlement met twee
kamers en beperkt kiesrecht. Halverwege
de 19e eeuw raakte Denemarken
in oorlog met Duitsland dat aanspraken
maakte op Sleeswijk. De Eerste
Sleeswijkse Oorlog (1848-1850)
werd gewonnen door Denemarken.
Overeengekomen werd dat Sleeswijk
en Holstein voortaan als onafhankelijke
territoria beschouwd zouden worden.
In 1863 besloot de Deense regering
zonder medeweten van de koning,
Sleeswijk's autonomie te ontnemen.
De Tweede Sleeswijkse oorlog was
een feit en werd ook door de Denen
verloren. Denemarken werd gedwongen
aftstand te doen van Sleeswijk.
Dit verlies had grote consequenties
voor Jutland dat veel goede landbouwgrond
kwijtraakte. Het werd genoodzaakt
grote stukken onvruchtbare heide
te cultiveren, het onderwijs te
verbeteren, er werd een nieuwe
havenstad, Esbjerg, gebouwd. Kortom,
Jutland zou binnen enkele tientallen
jaren tot een economisch sterke
regio uitgroeien.
Pas
na de Eerste Wereldoorlog werd
het al 500 jaar durende probleem
opgelost. Een volksstemming had
als resultaat dat het overwegend
Deenstalige noorden van Sleeswijk
zich aansloot bij Denemarken,
en de meer Duitstaligen in het
zuiden wilden bij Duitsland blijven.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog
had alleen de koopvaardijvloot
te lijden onder de gevechtshandelingen.
Ongeveer honderd schepen gingen
verloren. Aan de andere kant werd
er aan de handel in deze tijd
veel geld verdiend.
Op 9 april 1940 vielen de Duitsers
Denemarken binnen en werd het
land zonder noemenswaardige tegenstand
bezet. Op Bornholm na, ontsnapte
Denemarken aan het oorlogsgeweld.
Op vijf mei 1945 werd Denemarken
bevrijd. Indirecte gevolgen had
de oorlog wel voor Denemarken.
Zo maakte IJsland zich in 1944
los van Denemarken en riep eenzijdig
de onafhankelijkheid uit. In 1948
kregen de Færoer een vorm
van binnenlands bestuur. Begin
jaren '50 werd de volksvertegenwoordiging
zodanig gereorganiseerd dat er
in 1953 nog maar één
kamer overbleef, de "Landsting".
De economische wederopbouw na
de oorlog werd een successtory.
Ook het onderwijs, de wetenschap
en welvaart in het algemeen kwamen
op een hoog peil te staan. In
1973 werd Denemarken lid van de
Europese Unie. In 1985 trok Groenland
zich terug uit de EG. In november
2001 werden de parlementsverkiezingen
gewonnen door het rechtse oppositieblok
van liberalen en conservatieven.
Voor het eerst sinds 1929 was
er in Denemarken een rechtse meerderheid.
Bevolking
Het koninkrijk Denemarken telde
in juli 2000 5.336.394 inwoners.
De gemiddelde bevolkingsdichtheid
bedraagt ongeveer 123 per km2.
In delen van Oost-Jutland en op
de grote eilanden is de bevolkingsdichtheid
groter. De minst dicht bevolkte
districten zijn Viborg en Rinkøbing
met maar 50 inwoners per km2.
Ongeveer 88% van de bevolking
woont in steden. De grootste steden
zijn Kopenhagen met 1,4 miljoen
inwoners, Århus (265.000),
Odense (173.000) en Aalborg (155.000).
In 2000 bedroeg de groei van de
bevolking 0,31%. De bevolkingsopbouw
is typisch voor een welvarend
land als Denemarken. Het aantal
inwoners tussen de 0 en 14 jaar
bedraagt 18%, tussen 15 en 64
jaar 67%, en boven de 65 jaar
15% (Nederland respectievelijk
18%, 68% en 14%). De gemiddelde
levensverwachting is 76,54 jaar.
Het aantal autochtone inwoners
van Denemarken bedraagt 97%. Van
de allochtonen is de groep Duitsers
en Scandinaviërs het grootst.
Na de immigratiegolf van de jaren
zestig bleven veel Joegoslaven,
Pakistani en Turken in Denemarken
wonen. Op Zuid-Jutland woont een
kleine minderheid Duitssprekende
Denen.
Denemarken behoort tot de tien
rijkste en economisch hoogst ontwikkelde
landen van de wereld.
Taal
In het Deense koninkrijk worden
drie talen gesproken, het Groenlands,
het Deens en het Faerörsk.
De laatste twee behoren tot de
Germaanse tak van de Indo- Europese
talen. Hoewel ze gemeenschappelijke
wortels hebben is er van verwantschap
slecht in beperkte mate sprake.
De handel met kooplieden van de
Hanze heeft het Deens ontvankelijk
gemaakt voor Duitse invloeden.
Denen, Noren en Zweden kunnen
elkaars talen goed lezen en ook
vrij goed verstaan. Onderling
spreken ze een soort lingua franca
(hulptaal) dat Skandinavisk genoemd
wordt. Veel Denen spreken ook
nog Duits, Engels of beide.
De letters æ, ø,
en å komen helemaal achter
in het alfabet, na de z. Het moeilijke
van het Deens is dat het anders
uitgesproken dan geschreven wordt.
Het uitgesproken Deens heeft klanken
en uitspraak die nergens anders
voorkomen. Duits wordt voor een
deel in Zuid-Jutland gesproken.
|