vakantie Denemarken

Het koninkrijk Denemarken ligt in Noordwest-Europa en vormt een onderdeel van Scandinavië. Denemarken heeft in het zuiden een korte landgrens met het Duitse Sleeswijk-Holstein (68 km). Denemarken grenst in het westen aan de Noordzee, in het noorden aan het Skagerrak en in het oosten aan het Kattegat, de Sont en de Oostzee. Denemarken is met 43.077 km2 iets groter dan Nederland. Het bestaat uit het schiereiland Jutland en 474 eilanden waarvan er ongeveer 100 bewoond zijn. De kuststroken lijken sterk op die van Nederland met zandstranden, wadden, duinen en dijken. Voor de kust van West- Jutland liggen veel zandbanken en riffen. Hier liggen ook lange en brede stranden. De oostkust van Jutland is een fjordenkust waarvan de inhammen lang en bebost zijn. Dit in tegenstelling tot de Noorse fjorden die zeer steil zijn. De goed bevaarbare fjorden dringen vanaf de oostkust diep het land in. De zeer grillige kust van Denemarken heeft een kustlijn van 7500 km, bijna evenveel als het 10x grotere buurland Zweden. Hoewel laag gelegen heeft het Deense landschap afwisselende golvende vormen. Het hoogste punt is de Ejer Bavnehøj op de Jutlandse heuvelrug (172 meter). Het laagste punt is de Lammefjord, -7 meter onder zeeniveau. Lolland is laag en vlak en moet door dijken tegen stormvloeden beschermd worden. Het eiland Bornholm behoort geologisch gezien niet tot Denemarken;

de bodem is namelijk van een geheel andere samenstelling dan de rest van Denemarken. Verspreid over het hele land liggen vele kleine en grote zwerfstenen, overblijfselen van verschillende ijstijden. De langste rivier is de Gadenå, 160 km lang. Om het eiland Møn en Zuidoost-Sjælland komen steile krijtrotsen voor die een hoogte van ± 140 meter bereiken.

Klimaat
Denemarken heeft een gematigd zeeklimaat, sterk beïnvloed door de temperatuur van het Noordzeewater. Het weertype kan per dag verschillen maar door de geringe oppervlakte van het land en doordat het vrijwel aan alle zijden door zee is omgeven, zijn de klimaatverschillen zeer gering. In de koudste maand, februari, schommelt de gemiddelde temperatuur rond de 0°C. In strenge winters vriest een gedeelte van het Kattegat voor korte tijd dicht. In de Sont en in de Belten komt vaker ijs voor; in de Sont gemiddeld om de twee jaar. De zomers kenmerken zich door veel zonneschijn. In juli, de warmste maand, schommelt de temperatuur gemiddeld tussen de 15 en 16,5°C. De warmste streken zijn Bornholm, Falster, Lolland en Viborg. De koudste streken zijn Himmerland, Midtfyn en Nordvestjyland. Gemiddeld valt er op het Deense land 600 mm neerslag per jaar. Tussen de Noordzeekust en het heuvelland van Midtjyland valt gemiddeld 700 mm. Minder dan 600 mm valt op Bornholm, Sjælland en aan de kust van het Kattegat. Het aantal regendagen ligt tussen de 120 en 200 dagen per jaar. De meeste regen valt van augustus tot en met oktober. De droogste periode valt tussen eind april en begin juni. Als de wind ‘s winters uit het oosten waait, kan het zeer koud worden, tot -31°C. ‘s Zomers kan de temperatuur door diezelfde oostenwind oplopen tot meer dan 35°C. De wind waait echter vaak uit het westen. Door de vele depressies stormt het aan de westkust gemiddeld meer dan 50 keer per jaar.

Planten en dieren
In een ver verleden was Denemarken een dicht bebost land. Op dit moment bestaat ongeveer 11% van het landoppervlak uit bos.
Langs de kust van de Noordzee, het Skagerrak en aan de zuidkant van het Kattegat vinden we bossen met (aangeplante) dennen en sparren. Daartussen groeit o.a. helmgras dat duinen beschermt. Door de ontbossing zijn bijna alle eikenbossen verdwenen. Berkenbossen komen nog wél voor en de groene beuk is de nationale boom van Denemarken. In Jutland bevindt zich het grootste, voornamelijk uit naaldbomen bestaande Deense woud. Veel voorkomende bomen zijn olmen, hazelaars, esdoorns, grove dennen, berken, espen, lindes en kastanjes. In Noord-Jutland komen uitgestrekte heidevelden voor. In Denemarken komen ongeveer 1500 plantensoorten voor, ongeveer vergelijkbaar met Nederland.
In het noorden en noordwesten van Jutland ontstonden als gevolg van de slechte afwatering uitgestrekte hoogveenmoerassen.
Aan de kust komt de bijzondere roze-witte strandroos voor. De nationale bloem is de margriet.
De wildstand in Denemarken is in de 20e eeuw sterk teruggelopen. Eland, oeros en zelfs wilde zwijnen komen niet meer voor. Voornamelijk in wildparken leven reeën, edelherten en de ingevoerde damherten en sikaherten. In de heide- en duingebieden leven vele hazen, konijnen, patrijzen en fazanten. Kleine rovers als de marter, das, otter en vos komen nog steeds voor maar hun aantal verminderd elk jaar. Met name de otter wordt sterk bedreigd. Van de zeeroofdieren komt naast de gewone zeehond de grijze zeehond voor. In de kustwateren zijn regelmatig bruinvissen en tuimelaars te zien. Van de vleermuizen zijn er alleen gladneuzen.
In de rivieren en beken kan gevist worden naar o.a. forel, sneep, baars en snoek. Zeevissers vangen veel kabeljauw, geep, zeeforel, koolvis, griet en haring.
Er komen ongeveer 350 soorten vogels voor in Denemarken. De helft daarvan broedt in Denemarken zelf; de rest zoekt warmere streken op. Veel voorkomende vogels zijn, behalve de vele soorten kustvogels en steltlopers, de raaf, zeearend, patrijs, fazant en eend. Het aantal ooievaars is in de loop der jaren sterk afgenomen. De nationale vogel is de zwaan.
Er zijn 68 soorten inheemse vlinders te zien in Denemarken. En verder komen er 11 soorten kikkers en padden voor. Door het verdrogen van veel natte gebieden is de helft van de broedplaatsen van deze dieren verdwenen.

Verkeer
Verkeers- en brugverbindingen spelen een belangrijke rol in het Deense verkeer. Tussen 1966 en 1986 werden 20 grote bruggen gebouwd. De grootste brug is die over de Storstrøm tussen Falster en Seeland (3211 m), en is daarmee een van de langste van Europa. In 1997 werd een 20 km lange brug-tunnelverbinding geopend voor het trein- en autoverkeer tussen de eilanden Funen en Seeland. Er zijn veerbootverbindingen met Zweden, Noorwegen, Duitsland en Groot- Brittannië.
De handelsvloot is een van de modernste ter wereld. De belangrijkste havens zijn Kopenhagen, Århus, Aalborg, Esbjerg en Frederikshavn.
De spoorwegen zijn in hoofdzaak een staatsaangelegenheid (2471 km), hoewel met name voor het vrachtvervoer ook particuliere lijnen (494 km) zijn. Het wegverkeer beschikt over een zeer dicht wegennet van ruim 70.000 km. Een klein gedeelte hiervan (ca. 7%) bestaat uit snelwegen.
Het internationale luchtverkeer maakt gebruik van de luchthaven Kastrup, bij Kopenhagen. Daarnaast zijn er nog twaalf commerciële vliegvelden. Det Danske Luftfarsselskab is een van de drie sinds 1 oktober 1950 in SAS (Skandinavian Airlines System) samenwerkende Scandinavische luchtvaartmaatschappijen.

Geschiedenis
Er zijn aanwijzingen dat de eerste mensen al 12.000 jaar geleden rondgezworven hebben op Deens grondgebied. Ze leefde voornamelijk van de jacht op rendieren. Nadat het klimaat wat warmer werd trokken de rendieren verder naar het noorden. De jagers op hun beurt trokken richting kust en leefden van de visvangst. Rond 4000 voor Chr. verbouwden de Denen hun eigen voedsel en hielden wat vee. Van rond 2000 voor Chr. dateren de dolmens, grafkamers bestaande uit grote keien die met een platte steen werden afgedekt. De gletsjers van de ijstijd hadden die grote zwerfkeien achtergelaten. Denemarken is bezaaid met grafheuvels, grote stenen, ganggraven en hunebedden. De graven waren soms meer dan 100 meter lang.

Brons werd rond 1800 voor Chr. geïntroduceerd in Denemarken en het volk toonde zich al snel meesters in het maken van gebruiks- en kunstvoorwerpen. Om aan het kostbare brons te komen waren er rond die tijd al contacten met volkeren in het zuiden van Europa. Belangrijke archeologische vondsten uit deze vroegste tijden zijn de schaal van Gundestrup, de zonnnewagen van Trundholm en het veenlijk de Man van Tollund.

Rond het begin van onze jaartelling wordt voor het eerst in annalen en verslagen van de Romeinen gesproken over de Noord-Germaanse stammen. Deze Noord- Germaanse stammen trokken langzaam zuidwaarts richting Midden-Europa. Deze kleine groepjes werden langzamerhand opgenomen in grotere stamverbanden waardoor er vorstendommen en koninkrijkjes ontstonden. Van de eerste vijf à zes eeuwen na Chr. is weinig bekend. Pas eind 8e eeuw kwamen de Denen de Europese geschiedenis binnengevaren. Op 8 juni 793 werd het kloostereiland Lindisfarne in Groot-Brittannië door een vermoedelijk Deense vloot aangevallen en leeggeroofd. Binnen enkele tientallen jaren had heel West- Europa te lijden onder de plundertochten van de Noormannen of Vikingen, zoals ze genoemd werden. Onduidelijk is nog steeds waar ze precies vandaan kwamen, Noorwegen, Zweden of Denemarken. Toch zaaiden de Noormannen niet alleen dood en verderf in Europa. Ze stichtten ook steden, verhuurden zich als soldaten, dreven handel en maakten ontdekkingsreizen. Een van de redenen voor deze expansiedrift was het feit dat het Scandinavië van toen nog een onontgonnen gebied was met weinig mogelijkheden voor landbouw. Als gevolg hiervan dreigde overbevolking en veel Noormannen vestigden zich in b.v. Normandië in Frankrijk of op de Britse eilanden. Met name in Northumbria in Noordoost- Engeland zaten veel Denen en zij stichtten daar Danelagh, een vrijwel zelfstandig Deens rijk. Sven Gaffelbaard stuurde ± 1100 schepen de Noordzee op om Danelagh en uiteindelijk heel Engeland te veroveren. Na wat schermutselingen lukte dat en in 1013 liet Sven zich uitroepen tot koning van Engeland. Noorwegen had op dat moment geen leider en de zoon van Sven, Knud, liet zich ook daar tot koning kronen, resulterend in een groot noordelijk rijk onder leiding van de Denen. Het rijk viel echter al snel uit elkaar, het was door zijn omvang niet bestuurbaar. De aangestelde onderkoningen raakten slaags met elkaar. Uiteindelijk leidde dat tot een Engelse koning in Engeland en een Noorse koning in Denemarken. Geprobeerd werd nog om Engeland weer te heroveren maar na de verloren slag bij Hastings in 1066 kwam het vikingtijdperk tot een einde.

Het Denemarken van die tijd was waarschijnlijk een praktische volledig agrarische samenleving die zich niet alleen uitstrekte tot het huidige Deense grondgebied. Ook delen van Sleeswijk in Noord-Duitsland en Zuid-Zweden hoorden erbij. De politieke macht lag in Jutland en de economische macht rond een handelspost in Sleeswijk. De bevolking bestond uit clans onder leiding van een clanhoofd. Er was nog geen centraal gezag. Besluiten die clanoverstijgend waren werden genomen tijdens een “Ting”, een bijeenkomst van “vrije mannen”. Eenmaal per jaar werd een “Landsting” georganiseerd die tevens als rechtbank fungeerde. Elke regio had een Landsting en de macht van zo’n Landsting reikte dan ook niet verder dan de eigen regio.
De Denen werden nu bedreigd door Duitse koninkrijkjes en door de Wenden, een slavisch volk dat aan de Oostzee woonde. Een binnnenlands probleem was het enorme vrouwenoverschot door de vele gesneuvelde of geëmigreerde Noormannnen. Polygamie kwam veel voor en veroorzaakte gecompliceerde erfopvolgingskwesties. De macht van de koning werd hersteld onder Valdemar de Grote. Na de dood van Valdemar nam de bisschop van Roskilde, Absalon, de macht in handen. Hij verplaatste het politieke centrum van Jutland naar Sjælland omdat de Oostzee als handelsroute belangrijker werd dan de Noordzeeroute. Ook werd onder Absalon een vesting langs die belangrijke route gebouwd, Havn. Dit dorpje zou later uitgroeien tot de hoofdstad van Denemarken, Kopenhagen. Vanaf die tijd werd de geschiedenis van Denemarken gedomineerd door de strijd om de macht rond de Oostzee. Valdemar II veroverde grote stukken land aan de Kielersee met toestemming van de Duitse keizer. Ook Estland probeerde hij te veroveren maar dit mislukte. Hij werd zelfs ontvoerd en drie jaar vastgehouden. Valdemar II had veel (buitenechtelijke) zonen wat leidde tot een aantal erfkwesties waarbij zelfs doden vielen. Sleeswijk was rond die tijd nog steeds de machtigste regio en de graaf van Sleeswijk de machtigste man na de koning. In 1282 werd het “Håndfestning” ondertekend waarbij men overeenkwam één nationaal parlement in te stellen. Vanwege een lege schatkist werden grote delen van Denemarken als onderpand afgestaan. Door onderlinge twisten kwam het van 1332 tot en met 1340 tot een koningloos tijdperk.

Valdemar IV werd door edelen naar voren geschoven en op de troon gezet. Deze Valdemar bleek echter geenszins een zwakke persoon te zijn. Zo veroverde hij Gotland dat bij het Zweedse koninkrijk hoorde en een belangrijke Hanzestad was. De Hanze nam dit niet en stuurde een vloot naar Denemarken, die echter in de buurt van Kopenhagen verslagen werd. Gedurende deze jaren werd Denemarken getroffen door een pestepidemie die eenderde van de Deense bevolking het leven kostte. Valdemar werd een belangrijke persoon uit de Deense geschiedenis. Hij gaf de eerste aanzet tot de vereniging van Noorwegen, Zweden en Denemarken. Noorwegen en Zweden waren op dat moment al verenigd onder koning Magnus. Zijn zoon Haakon trouwde met Margrethe, dochter van Valdemar. Na de dood van Valdemar maakte Margrethe aanspraak op de Deense troon. Omdat vrouwelijke troonopvolgers niet geaccepteerd werden werd haar vijfjarig zoontje Oluf vorst, onder regentschap van Margrethe. Oluf stierf op 17-jarige leeftijd en men accepteerde Margrethe als vorst over Noorwegen en Denemarken. In 1389 werd de Zweedse koning door haar verslagen in de slag bij Falkøbing. Het duurde tot 1397 voordat de vereniging van de drie koninkrijken een feit zou zijn (Unie van Kalmar). Margrethe werd opgevolgd door haar Slavische achterneef Erik von Pommeren. De adel zag dit op den duur niet zo zitten en men ging op zoek naar een opvolger uit de Duitse tak van de familie. Gekozen werd voor Christian I wat weer leidde tot een verbond met het machtige Holstein. Dit leverde een merkwaardige situatie op. Als graaf van Sleeswijk was hij trouw schuldig aan de koning van Denemarken, wat hij zélf was, en als graaf van Holstein moest hij de Duitse keizer steunen. Zweden trad na zijn dood weer toe tot de Unie. Opvolger Hans leed in 1500 een zware nederlaag tegen de Friezen. De Zweden verlieten o.a. door deze nederlaag in 1502 de Unie weer. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Christian II, de onderkoning van Noorwegen. Hij leidde in 1520 een strafexpeditie tegen Zweden en veroverde in eerste instantie Stockholm. Zweedse boeren onder leiding van Gustav Vasa namen wraak en uiteindelijk werd Christian verbannen naar de Zuidelijke Nederlanden. Het was in deze tijd dat de denkbeelden van Luther doordrongen tot Denemarken. Het sprak de Denen zeer aan en het was Christian III die in 1536 de evangelisch- lutherse leer als staatsgodsdienst installeerde.
Zijn opvolger Frederik II kwam in conflict met de Zweedse vorst. Dit zou uitlopen tot de zevenjarige oorlog (1563-1570) die echter geen oplossing bracht voor het conflict. De Zweden waren op het land te sterk, de Denen te sterk op zee. Doordat Spanje, Duitsland, Engeland en Frankrijk voortdurend in oorlogen verwikkeld waren, kon Denemarken zich ontwikkelen als een wereldmacht op zee. Onder Christan IV bleek de zwakte van Denemarken op het land. Veel veldtochten gingen verloren en toen hij in 1648 stierf, liet hij een ontredderd en geplunderd Denemarken achter voor zijn opvolger, Frederik III. Ook Frederik leed weer een gevoelige nederlaag tegen de Zweden en Denemarken verloor bij de Vrede van Roskilde in 1658 bijna eenderde van zijn grondgebied en de alleenheerschappij over de lucratieve Øresund (tolgelden). Karl X van Zweden probeerde meteen heel Denemarken onder de voet te lopen, maar de Denen werden nu geholpen door de Hollanders, die er veel belang bij hadden dat de Øresund niet door één mogendheid beheerst zou worden. Het lukte de Denen en de Hollanders om de Zweden weg te jagen en Frederik zag zich genoodzaakt de tolgelden fors te verlagen en de Zweden vrije doortocht te verlenen. Vreemd genoeg kreeg de adel de schuld van al deze vernederingen en Frederik zag zijn kans schoon om zichzelf uit te roepen als alleenheerser over Denemarken en Noorwegen. Eind 17e eeuw, begin 18e eeuw probeerden Christan V en Frederik IV de heerschappij over de Øresund weer te heroveren. Grote nederlagen volgden en met het einde van de Grote Noordse Oorlog in 1721 werd duidelijk dat Denemarken nooit meer over de Øresund zou heersen.

De 18e eeuw was verder een eeuw met veel zwakke koningen en een toenemende kloof tussen de adel en de burgerij, die steeds machtiger werd. De rest van Europa had vanaf 1789 te maken met de gevolgen van de Franse Revolutie. In Denemarken bleef het wat dat betreft in eerste instantie rustig en Denemarken kon zich weer profileren als belangrijke koopvaartnatie. Door de gevaarlijke situatie op zee moesten de Denen toch allianties aangaan met o.a. Rusland en wat andere landen, en werden zo toch betrokken bij de gevechtshandelingen. Denemarken werd op eigen grondgebied aangevallen door een Engelse vloot. De Russen liepen hierna over naar de Engelse kant en ook de Zweden konden geen hulp bieden. Hierdoor werden de Denen gedwongen te gaan samenwerken met de Franse keizer Napoleon. De Engelsen waren hier uiteraard fel op tegen en stuurden weer een vloot naar Denemarken en deze keer werd Kopenhagen grotendeels verwoest. Bijna 2000 soldaten en burgers vonden de dood en ook de Deens- Noorse vloot werd bijna gedecimeerd. De Denen waren nu wel gedwongen om een verbond met Napoleon aan te gaan maar streden een uitzichtloze strijd en verloren uiteindelijk al hun schepen! In Kiel werd in 1814 een vredesverdrag gesloten, waarbij Denemarken, als straf voor de steun aan Frankrijk, de unie met Noorwegen moest ontbinden. De Faeröer, IJsland en Groenland werden aan Denemarken toegewezen. Christian VIII erfde in 1839 een volledig failliet Denemarken.

In het Europese revolutiejaar 1848 werd onder Frederik VII de absolute monarchie afgeschaft. In 1849 kreeg Denemarken een moderne grondwet, een nationaal parlement met twee kamers en beperkt kiesrecht. Halverwege de 19e eeuw raakte Denemarken in oorlog met Duitsland dat aanspraken maakte op Sleeswijk. De Eerste Sleeswijkse Oorlog (1848-1850) werd gewonnen door Denemarken. Overeengekomen werd dat Sleeswijk en Holstein voortaan als onafhankelijke territoria beschouwd zouden worden. In 1863 besloot de Deense regering zonder medeweten van de koning, Sleeswijk’s autonomie te ontnemen. De Tweede Sleeswijkse oorlog was een feit en werd ook door de Denen verloren. Denemarken werd gedwongen aftstand te doen van Sleeswijk. Dit verlies had grote consequenties voor Jutland dat veel goede landbouwgrond kwijtraakte. Het werd genoodzaakt grote stukken onvruchtbare heide te cultiveren, het onderwijs te verbeteren, er werd een nieuwe havenstad, Esbjerg, gebouwd. Kortom, Jutland zou binnen enkele tientallen jaren tot een economisch sterke regio uitgroeien.

Pas na de Eerste Wereldoorlog werd het al 500 jaar durende probleem opgelost. Een volksstemming had als resultaat dat het overwegend Deenstalige noorden van Sleeswijk zich aansloot bij Denemarken, en de meer Duitstaligen in het zuiden wilden bij Duitsland blijven. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had alleen de koopvaardijvloot te lijden onder de gevechtshandelingen. Ongeveer honderd schepen gingen verloren. Aan de andere kant werd er aan de handel in deze tijd veel geld verdiend.
Op 9 april 1940 vielen de Duitsers Denemarken binnen en werd het land zonder noemenswaardige tegenstand bezet. Op Bornholm na, ontsnapte Denemarken aan het oorlogsgeweld.

Op vijf mei 1945 werd Denemarken bevrijd. Indirecte gevolgen had de oorlog wel voor Denemarken. Zo maakte IJsland zich in 1944 los van Denemarken en riep eenzijdig de onafhankelijkheid uit. In 1948 kregen de Færoer een vorm van binnenlands bestuur. Begin jaren ’50 werd de volksvertegenwoordiging zodanig gereorganiseerd dat er in 1953 nog maar één kamer overbleef, de “Landsting”.
De economische wederopbouw na de oorlog werd een successtory. Ook het onderwijs, de wetenschap en welvaart in het algemeen kwamen op een hoog peil te staan. In 1973 werd Denemarken lid van de Europese Unie. In 1985 trok Groenland zich terug uit de EG. In november 2001 werden de parlementsverkiezingen gewonnen door het rechtse oppositieblok van liberalen en conservatieven. Voor het eerst sinds 1929 was er in Denemarken een rechtse meerderheid.

Bevolking
Het koninkrijk Denemarken telde in juli 2000 5.336.394 inwoners. De gemiddelde bevolkingsdichtheid bedraagt ongeveer 123 per km2. In delen van Oost-Jutland en op de grote eilanden is de bevolkingsdichtheid groter. De minst dicht bevolkte districten zijn Viborg en Rinkøbing met maar 50 inwoners per km2. Ongeveer 88% van de bevolking woont in steden. De grootste steden zijn Kopenhagen met 1,4 miljoen inwoners, Århus (265.000), Odense (173.000) en Aalborg (155.000). In 2000 bedroeg de groei van de bevolking 0,31%. De bevolkingsopbouw is typisch voor een welvarend land als Denemarken. Het aantal inwoners tussen de 0 en 14 jaar bedraagt 18%, tussen 15 en 64 jaar 67%, en boven de 65 jaar 15% (Nederland respectievelijk 18%, 68% en 14%). De gemiddelde levensverwachting is 76,54 jaar. Het aantal autochtone inwoners van Denemarken bedraagt 97%. Van de allochtonen is de groep Duitsers en Scandinaviërs het grootst. Na de immigratiegolf van de jaren zestig bleven veel Joegoslaven, Pakistani en Turken in Denemarken wonen. Op Zuid-Jutland woont een kleine minderheid Duitssprekende Denen.
Denemarken behoort tot de tien rijkste en economisch hoogst ontwikkelde landen van de wereld.

Taal
In het Deense koninkrijk worden drie talen gesproken, het Groenlands, het Deens en het Faerörsk. De laatste twee behoren tot de Germaanse tak van de Indo- Europese talen. Hoewel ze gemeenschappelijke wortels hebben is er van verwantschap slecht in beperkte mate sprake. De handel met kooplieden van de Hanze heeft het Deens ontvankelijk gemaakt voor Duitse invloeden. Denen, Noren en Zweden kunnen elkaars talen goed lezen en ook vrij goed verstaan. Onderling spreken ze een soort lingua franca (hulptaal) dat Skandinavisk genoemd wordt. Veel Denen spreken ook nog Duits, Engels of beide.
De letters æ, ø, en å komen helemaal achter in het alfabet, na de z. Het moeilijke van het Deens is dat het anders uitgesproken dan geschreven wordt. Het uitgesproken Deens heeft klanken en uitspraak die nergens anders voorkomen. Duits wordt voor een deel in Zuid-Jutland gesproken.