en
dan vooral in de maanden mei, augustus,
september en oktober. De droogste en
‘koudste’ maanden zijn januari
en februari. In het oosten valt jaarlijks
gemiddeld ca. 1350 mm, in het westen
is het veel droger met minder dan 500
mm per jaar. Als er regen valt, gebeurt
dat meestal in de vorm van korte, hevige
buien aan het begin van de avond. Het
gebied van Los Haitises in het noordoosten
is zeer vochtig. Er valt gemidddeld
ca. 2000 mm per jaar.
De gemiddelde temperatuur voor de gehele
Dominicaanse Republiek ligt rond de
25°C. Toch komen er grote verschillen
voor, met name in de bergachtige gebieden.
Zo bedraagt de temperatuur bij Constanza
in de Cordillera Central gemiddeld ongeveer
16°C. Overdag loopt het kwik overal
gemakkelijk op tot boven de 30°C;
in het diepe zuidwesten heerst zelfs
een woestijnklimaat. In het algemeen
kan men stellen dat de temperaturen
in de diverse seizoenen niet ver uiteen
lopen, er is meer verschil tussen de
dag- en nachttemperatuur en tussen laagland
en hoogland.
De
watertemperatuur in de Dominicaanse
wateren varieert van 26 tot 30°C.
Een ander kenmerk van het klimaat is
de hoge luchtvochtigheid, meestal rond
70% en als de zon opgaat oplopend tot
wel 90%. De Dominicaanse Republiek is
een echte zonbestemming met gemiddeld
255 zonnige dagen per jaar.
De Enriquillo-slenk is met temperaturen
tot 40°C het warmste gebied van
het land. Het koudste is het in de bergen,
daar kan de temperatuur in januari tot
beneden het vriespunt dalen en er valt
wel eens een vlokje sneeuw.
De
meeste orkanen trekken in de maanden
augustus tot oktober langs de Dominicaanse
Republiek. Het land is de afgelopen
decennia verschillende keren getroffen
door orkanen: David (1979), Gilbert
(1988), Hugo (1989), Luís (1995),
George (1998: ca. 300 doden, 250.000
daklozen en 1 miljard dollar schade
aan landbouw en infrastructuur) en Lenny
(1999).
Landschap
Het landschap van de Dominicaanse Republiek
is zeer veelzijdig, van tropisch regenwoud
via alpiene bergstreken tot woestijnachtige
droogtegebieden. Imposante gebergten
lopen over het eiland en verdelen het
in klimatologisch verschillende gebieden.
Van noordwest naar zuidoost lopen over
de Dominicaanse Republiek vijf vrijwel
parallelle bergruggen: de Cordillera
Septentrional, de Cordillera Central
(ook wel genoemd: ‘Dominicaanse
Alpen’), de Cordillera Oriental,
de Sierra Neiba en de Sierra de Bahoruco.
Het belangrijkste bergmassief is de
Cordillera Central, die het land in
tweeën splitst, een noordelijk
en zuidelijk deel. Hier liggen ook de
hoogste bergen, met de Pico Duarte als
hoogste top met 3175 meter. De Pico
Duarte is tevens de hoogste berg in
de Caribische regio. Een ander hoge
berg is de Loma la Rucilla (3045 m).
Naar het oosten gaat de Cordillera Central
over in de kustvlakte van Santo Domingo.
Het gebergte sluit in het westen aan
op het Massif du Nord in Haïti.
Ten noorden van de Cordillera Central
ligt de Cordillera Septentrional, een
middelgebergte (hoogste top: Loma Quita
Espiela, 943 m), die een natuurlijke
scheiding vormt tussen de noordelijke
kuststrook en het achterland.
De Cordillera Oriental ligt in het oosten
en is de kleinste van de drie bergruggen.
Het is meer heuvelachtig en vormt de
scheiding tussen de Bahía de
Samaná en de kustvlakte. Het
vormt een belangrijk waterreservoir
en is het brongebied voor de grootste
rivieren.
In het zuidwesten liggen twee kleinere
bergketens: de Sierra de Bahoruco en
de Sierra Neiba. Niet ver hier vandaan
licht het woestijnachtige landschap
rond het Lago Enriquillo.
Tussen de Cordillera Central en de Cordillera
Septentrional ligt de zeer vruchtbare
Cibao-vallei of Valle del Cibao, waarvan
het zuidoostelijke deel, de Vega Real,
het belangrijkste landbouwgebied van
het land is.
De Valle de San Juan ligt aan de zuidkant
van de Cordillera Central en is veel
droger dan de Valle del Cibao.
De provincies Independencia en Barahona
worden in oost-westelijke richting doorsneden
door een woestijnachtig slenkdal met
zoutmeren, onder andere het befaamde
Enriquillomeer, 42 km lang, 12 km breed,
40 meter diep, en daarmee de grootste
binnenzee van het Caribisch gebied.
Het meer was oorspronkelijk een zeearm
die het huidige schiereiland Baoruco
scheidde van het vasteland. Het ontstond
door aanslibbing van spoelzand dat de
rivieren uit de Sierra de Neiba en de
Sierra de Ocoa meevoerden. Het meer
ligt dus ca. 40 meter onder zeeniveau
en is daarmee het laagste punt in het
Caribisch gebied. In het meer liggen
enkele eilandjes, waaronder Isla Cabritos.
Hiermee doe zich het merkwaardige feit
voor dat zich in de Dominicaanse Republiek
zowel het hoogste (Pico Duarte) als
het laagste punt van het Caribisch gebied
bevindt.
De Río Yaque del Norte, de grootste
rivier van het land (ca. 300 km) die
gedeeltelijk bevaarbaar is, en de Río
Yuna stromen door de Cibao-vallei. De
Río Artibonité stroomt
zuidwestwaarts naar Haïti door
de Valle de San Juan. De Río
Yaque del Sur en de Río Ozama
stromen richting zuiden en zorgen voor
de afwatering in de Valle de San Juan.
In de Cueva de la Pequera (‘vissersgrot’)
ontspringt de kortste rivier ter wereld.
Al na een paar meter mondt dit riviertje
uit in de zee. De grot ligt in het nationale
park Los Haïtises.
De Dominicaanse Republiek heeft de meeste
en mooiste stranden van het Caribisch
gebied, zowel langs de Atlantische Oceaan
als de Caribische Zee. Er zijn kilometerslange
stranden maar ook kleine, door groen
en rotsen omringde strandjes. Sommige
schitterend gelegen stranden worden
nog nauwelijks bezocht door toeristen.
Volgens de Dominicaners zelf telt de
republiek 43.330 stranden en strandjes.
Ook
de eilandjes voor de kust hebben vaak
prachtige stranden. Enkele van die eilanden
zijn La Matica, Isla Beata, Isla Catalina,
Isla Saona, Cayo Levantado, een eiland
in de Baai van Samaná in het
noordoosten, en de cayos Siete Hermanos,
een groep van zeven kleinere eilanden.
Isla Catalina, een koraaleiland voor
de kust bij La Romana, is tot beschermd
gebied verklaard en onderdeel van het
Parque Nacional del Este. Om een groot
deel van het eiland loopt een rif. Ook
Isla Saona (117 km2 en ca. 1000 bewoners)
behoort tot het bovengenoemde nationale
park.
Bevolking
e totale bevolking bedroeg in juli 2003
8.716.000 personen. De gemiddelde bevolkingsdichtheid
bedraagt ca. 180 mensen per km2 en de
Dominicaanse Republiek behoort daarmee
tot de dichtstbevolkte staten van het
Caribisch gebied.
De bevolking is vooral geconcentreerd
in en rond de hoofdstad Santo Domingo
en in de Cibao-vallei. In de hoofdstad
woont ca. 36% van de bevolking, en Santo
Domingo is daarmee, na de Cubaanse hoofdstad
Havanna, de grootste stad in het Caribisch
gebied.
Er is een grote trek naar de steden;
62% van de bevolking woont dan ook in
de steden. Jaarlijks komen er tussen
de twee en drie miljoen toeristen (ca.
80.000 Nederlanders) naar de Dominicaanse
Republiek. Bijna een kwart van hen zijn
Dominicanen die tijdens vakanties naar
hun eigen land terugkeren.
Veel
met name goed opgeleide Dominicanen
emigreren naar de Verenigde Staten en
Venezuela (ca. 20.000 per jaar). Naar
schatting hebben in totaal ca. 1,5 miljoen
Dominicanen een bestaan in het buitenland
opgebouwd. Zo zijn er in verschillende
Amerikaanse steden hele Dominicaanse
buurten ontstaan. In New York wonen
ca. 800.000 Dominicanen, waarvan ongeveer
300.000 illegalen.
Aan de andere kant verblijven tienduizenden
(sommigen zeggen 1 miljoen!!) Haïtianen
als politiek vluchteling of als 'gastarbeider',
de meeste van deze mensen zijn illegaal
of niet-erkend. Ze vormen de onderste
klasse in de Dominicaanse samenleving
en worden voortdurend uitgebuit en gediscrimineerd.
De oospronkelijke indiaanse inwoners,
de Taíno, waren al na een halve
eeuw kolonisatie uitgeroeid. De term
‘indio’ wordt nu gebruikt
om de kleurling mee aan te duiden. Een
lichtgekleurde mulat wordt ‘indio
claro’ genoemd, een donkere mulat
‘indio oscuro’.
De
bevolking bestaat ongeveer voor 73%
uit kleurlingen of ‘mulatto’s’,
voor 16% uit blanken en voor 11% uit
zwarten. De mulatto’s hebben gemengde
voorouders uit Spanje en Afrika. De
Dominicaanse Republiek is in het Caribisch
gebied een van de weinige landen waar
de bevolking niet overwegend een Afrikaanse
oorsprong heeft. De reden hiervoor is
dat het land als plantagekolonie niet
zo belangrijk was, zodat er veel minder
slaven uit Afrika nodig waren als in
andere landen.
In de loop der eeuwen hebben zich verschillende
andere groepen in de Dominicaanse Republiek
gevestigd.
Vanuit de Verenigde Staten arriveerde
in de jaren twintig van de 19e eeuw
een grote groep Afro-Amerikanen, die
de slavernij en onderdrukking in eigen
land ontvluchtten en zich voornamelijk
vestigden op het schiereiland Samaná.
Cubanen kwamen eveneens in de 19e eeuw
naar de Republiek, maar ook na de revolutie
van 1959.
Andere groepen zijn Duitsers, Chinezen
(‘Chinos’), Japanners, Fransen,
Libanezen (‘Turcos’), Italianen
en seizoenarbeiders van de Britse eilanden
in de buurt (‘cocolos’).
Vlak voor de Tweede Wereldoorlog kwamen
er, op initiatief van president Trujillo,
een groep Duitse en Oostenrijkse joden
naar de Dominicaanse Republiek. Ze gaven
onder andere een impuls aan de veeteelt
en de zuivelindustrie aan de Amberkust.
De jaarlijkse bevolkingstoename bedraagt
ca. 1,6% (2003 1,36%). Meer dan de helft
van de bevolking is jonger dan 20 jaar.
De levensverwachting bij geboorte bedraagt
66,5 jaar voor mannen en 69,5 jaar voor
vrouwen.
Het geboortecijfer bedroeg in 2003 23,94
per 1000 inwoners; het sterftecijfer
bedroeg 6,88 per 1000 inwoners.
Taal
De officiële taal is het Spaans;
vooral in het grensgebied met Haïti
wordt een Haïtiaans-creools gesproken.
Immigranten spreken onderling nog veel
hun oorspronkelijke taal. Iedere regio
heeft, mede onder invloed van de vele
immigrantengroepen, haar eigen dialect
en uitdrukkingen. Het Dominicaanse Spaans
is wat zachter en heeft een andere melodie
dan het Europese Spaans.
Van de oorspronkelijke taal van de indianen
zijn nog maar enkele woorden over. Sommige
van deze woorden vinden we nog terug
in westerse talen:
Barbacoa – barbecue
Canon – kano
Huracán – orkaan
Iguana – leguaan
Maíz – maïs
Tabasco – tabak
Andere
woorden van indiaanse oorsprong zijn:
Ají – peper
Hamaca – hangmat
Lambí – vlees
Tiburón – haai
Yagua – palm
De
oospronkelijke inwoners, de Taínos,
noemden het oostelijke deel van Hispaniola
'Quisqueya', een naam die de Dominicanen
zelf nog vaak gebruiken.
Onderwijs
In een land waar de sociale tegenstellingen
nog steeds zeer groot zijn, treft men
altijd kinderen op straat aan omdat
er te weinig leerkrachten en leermiddelen
zijn. Met name in de stedelijke ‘zonas
populares’ en op het platteland
schort het nog flink aan het onderwijs.
Wettelijk zijn ouders verplicht om hun
kinderen naar school te sturen, zes
jaar basisschool en vier jaar voortgezet
onderwijs. In de praktijk wordt deze
wet slecht nageleefd; ongeveer 20% van
de bevolking is dan ook analfabeet.
Een kleine groep rijke Dominicanen kan
het zich veroorloven hun kinderen naar
privé-scholen te sturen.
Toch is het schoolsysteem de laatste
jaren verbeterd. Veel middelbare scholen
hebben inmiddels computers met toegang
tot het internet.
Veel
buitenlanders komen naar de Dominicaanse
Republiek om een studie te volgen aan
een van de universiteiten of andere
opleidingsinstituten. Men kan er Spaanse
taal- en letterkunde volgen of een cursus
salsa en merengue of een theatercursus.
Voor het hoger onderwijs zijn er veel
technische hogescholen en universiteiten.
De oudste universiteit, de Universidad
Autonómica de Santo Domingo,
ontstond in 1538 uit de eerste universiteit
van Amerika: de Universidad Santo Tomás
de Aquino.
Altos
de Chavón ligt op een rotsplateau
en is een dorp in de stijl van een 16e
eeuwse koloniale nederzetting. In het
dorp is een dependance gevestigd van
de Parson’s School of Design in
New York, een modeopleiding.
Economie
De Dominicaanse Republiek heeft een van
de snelst groeiende economieën ter
wereld. Sinds 1992 heeft het land een
economische groei van ruim 5 % per jaar
laten zien.Tijdens deze periode kon de
inflatie beperkt worden gehouden. In 2001
is de economische groei duidelijk afgenomen
als gevolg van de recessie in de VS, de
hoge olieprijzen en de dalende prijzen
voor haar exportproducten.
De Dominicaanse Republiek is vooral afhankelijk
van de export van agrarische producten,
m.n. suiker. Toen in de eerste helft van
de jaren tachtig van de vorige eeuw de
suikerprijs sterk daalde, voerden achtereenvolgende
Dominicaanse regeringen een beleid om
de wankele economische basis te versterken.
In 2001 was het aandeel van de verschillende
sectoren in het bruto nationaal product
als volgt: landbouw en visserij 11%, industrie
34%, handel, transport, financiën,
communicatie en overige diensten 55%.
De economische groei stagneert al lange
tijd. De financiële crisis van de
jaren tachtig kwam tot uitdrukking in
een hoge inflatie (1985 tot 1994: 28,8%
per jaar, 2002 5,3%). Toerisme en vrijhandelszones
genereren de meeste inkomsten.
In september 1999 maakte de commissie
voor de hervorming van de overheidsbedrijven
bekend dat vier particuliere consortia
voor een periode van dertig jaar het beheer
krijgen over de tien suikerfabrieken van
het staatsbedrijf CEA. Het elektriciteitsbedrijf,
de tabaksonderneming en de nationale luchtvaartmaatschappij
stonden eveneens op de nominatie om geprivatiseerd
te worden. Het liberale economische beleid
had een positief effect op de economie:
het bbp groeide met 7% (2002 4,2%).
Bijna vier miljoen Dominicanen leven onder
het bestaansminimum, en dat staat voor
ondervoeding en niet genoeg geld voor
fatsoenlijke kleren, behuizing en scholing
voor de kinderen. De meeste van deze huishoudens
hebben ook geen aansluiting op elektriciteit
en waterleiding. Ook de gezondheidszorg
voor deze mensen is minimaal en de meeste
kinderen krijgen zelfs niet de hard nodige
vaccinaties. De werkloosheid is nog steeds
schrikbarend hoog, 14,5% in 2002 zijn
de officiële cijfers. In werkelijkheid
liggen die cijfers nog veel hoger.
Eind
2002 waren er nog meer dan 500 ondernemingen
actief in de ca. vijftig ‘Zonas
Francas’, belastingvrije zones
in de Dominicaanse Republiek. Bedrijven
in deze zones hebben voor een periode
van vijftien jaar vrijstelling van verschillende
belastingen. Deze zones zijn met name
opgezet voor de exportproductie. Ca.
de helft van de ondernemingen is actief
op het gebied van textiel- en kledingproductie
voor de Amerikaanse markt. Bijna de
helft van de ondernemingen is van Amerikaanse
origine.
Toerisme
In de afgelopen jaren zijn grote investeringen
gedaan in de ontwikkeling van het toerisme.
In 1997 bezochten 2,5 miljoen toeristen
het land, in 1994 waren dat er nog maar
1,3 miljoen. Door de teruglopende economie
en de aanslagen in de Verenigde Staten
liep het aantal toeristen in 2001 en 2002
terug, mar in 2003 kwamen er het eerste
halfjaar al weer 1,4 miljoen toeristen.
De redenen om en vakantie naar de Dominicaanse
Republiek te boeken zijn o.a. de gunstige
ligging, het aangename klimaat, het mooie
landschap en natuurlijk de vele ‘bounty-eiland’-stranden.
De meeste toeristen komen uit de Verenigde
Staten, Canada, Frankrijk, Duitsland,
Engeland en Spanje. Uit Nederland kwamen
in 2002 ca. 32.500 toeristen. De gemiddelde
bezettingsgraad van de hotelkamers bedroeg
in het eerste halfjaar van 2003 73,8%.
De toeristenbranche biedt directe werkgelegenheid
aan 44.000 mensen en indirect aan 110.000
mensen
Verkeer
De Dominicaanse Republiek beschikt over
een goed en uitgebreid wegennet van ca.
18.000 km lengte (1986). De verbindingswegen
tussen de grotere steden hebben een totale
lengte van zo’n 5.000 kilometer.
De
totale lengte van het spoorwegnet bedraagt
ca. 1600 km, waarvan 142 km in handen
van de staat zijn. Dit zijn de lijnen
La Vega naar Sánchez en van Guayubin
naar Pepillo, die vooral dienen voor
het transport van exportgoederen. Ruim
1000 km smalspoor is in gebruik op de
suikerplantages.
Het
binnenlandse luchtverkeer heeft de beschikking
over een twaalftal kleine vliegvelden;
internationale lijnvluchten maken gebruik
van het vliegveld 'Las Americas' bij
Santo Domingo.
De belangrijkste luchthavens voor chartervluchten
zijn Puerta Plata en Punto Canna.
De
belangrijkste haven van de Dominicaanse
Republiek is Puerto Rio Haina, de haven
van de hoofdstad Santo Domingo. De containercapaciteit
van deze haven bedraagt nu 14.000 eenheden,
en moet verhoogd worden naar 25.000
eenheden. Jaarlijks komen er in deze
haven ca. 2.700 schepen binnen.
In december 2003 staat de opening van
een nieuwe haven gepland op het Caucedo-schiereiland,
speciaal voor containerafhandeling.
|